Hulphonden mogen niet geweigerd worden. Dit besef dring gelukkig tot steeds meer mensen door. Toch gebeurt het nog weleens dat ik dat recht moet opeisen wanneer ik een winkel of een restaurant betreed met Plouf. Ik vroeg me tot voor kort soms af hoe het zou gaan indien ik opgenomen zou worden in een ziekenhuis. Onlangs kreeg ik onverwacht en ongewild antwoord op die vraag.
Galwegen
Ik had al een paar weken last van de galwegen, met van die helse pijnen. De galblaas zelf was al verwijderd maar er zat toch nog ergens een galsteen die zich steeds krachtiger manifesteerde. De eerste gang naar de dokter was op een avond. We gingen naar de huisartsenpost in Utrecht. Plouf was zelf ziek en was net ’s middags naar de dierenarts geweest. Ze was echter dusdanig onder de indruk van mijn pijn, dat ze haar ellende even opzij zette en zonder tegenstribbelen mee ging naar de arts. Plouf kreeg enkel maar liefdevolle glimlachen en bleef rustig liggen terwijl ik onderzocht werd.

Ik kon weer weg met wat medicijnen. Het ging een paar dagen beter. Daarna weer niet, waardoor we samen bij de huisarts belandden. Een groot deel van het gesprek ging over Plouf. Er zijn in Nederland maar 2000 gecertificeerde hulphonden, dus op de meeste plekken waar we komen, is het verschijnsel nieuw. Het onderhoud met de dokter was warm en Plouf was helemaal welkom. Er werden medicijnen voorgeschreven en wat onderzoekjes ingepland, en we konden weer naar huis.

Tussendoor mochten we samen nog eens naar de halfjaarlijkse afspraak bij de mondhygiëniste. Daarna heb ik heb het niet gered tot de onderzoeken want nog geen week later was de pijn zo hevig dat de buren de huisarts alarmeerden. Toen deze ter plaatse kwam, werd de ambulance gebeld om mij naar het ziekenhuis te brengen. De galsteen zat nu toch echt op een verkeerde plek. Paracetamol hielp al lang niet meer, diclofenac ook al niet, en zelfs de injectie met morfine niet. Alleen fentanyl, toegediend door het ambulancepersoneel, bracht verlichting. Plouf sloeg het gade en begreep er niets van.
Ja inderdaad, Plouf. En toen? Plouf was al weken in de war. Op de momenten dat ik mij goed voelde, keek ze me altijd hoopvol en bijna zielig aan, want dan kon ze mij al snel overtuigen dat ze moest wandelen en zwemmen. Dat weet ze maar al te goed. Op de dagen dat ik pijn had, kroop ze naast me op de bank en vroeg ze nergens om. Eigenlijk deed ze wat veel andere honden van nature ook doen. Plouf en ik zijn onlosmakelijk aan elkaar verbonden, al bijna acht jaar. We kunnen niet zonder elkaar. Mijn PTSS is zonder haar aanwezigheid en interventies niet te controleren of te voorspellen.

Opname
Er werd snel overlegd of Plouf mee mocht in de ambulance. Ze was drijfnat want een uur geleden lag ze nog in het water. Behulpzame buren wreven haar droog met handdoeken. Maar een ambulance is ook krap, hetgeen Plouf niet bepaald leuk vindt. Chantal kwam met de oplossing: zij zou met mijn auto achter de ambulance aan rijden tot aan het Canisius Wilhelmina Ziekenhuis (CWZ) in Nijmegen. Plouf kon dan op haar eigen, vertrouwde achterbank zitten. Chantal is het vrouwtje van Happy, het vriendinnetje van Plouf.

De ontvangst bij de spoedeisende hulp was uitstekend. Plouf was reeds aangemeld en mocht voortdurend bij mij blijven. Er werd vanzelfsprekend wat navraag gedaan over mijn PTSS, met als doel om in te schatten hoe ze mij samen met Plouf het best konden helpen. Na wat eerste onderzoekjes werd ik opgenomen op de verpleegafdeling MDL (maag-, darm- en leverziekten). ‘Het is de eerste keer dat we een hond op de afdeling hebben’ hoorde ik bij aankomst iemand enthousiast zeggen. Plouf volgde mij heel trouw terwijl Chantal haar netjes aan de riem begeleidde.

Ik kreeg een kamer toegewezen op de begane grond met voldoende ruimte voor Plouf. Het bed was best hoog voor haar, maar al snel beheerste ze de techniek om erop te springen zodat ze mij af en toe heel nauw gezelschap kon houden. Maar het was een eenpersoonsbed dus het echte slapen deed ze op de wat koelere vloer. De kamer grensde aan een klein parkje met gras, struiken en bomen. Ik was nog mobiel en ik mocht daar een paar keer per dag Plouf uitlaten. Ik maakte dan gebruik van een personeelsdoorgang.

Enkel oplossingen
De medewerkers van het CWZ hebben in de honderd uur die wij daar doorbrachten nooit gedacht in problemen, enkel in oplossingen. Iedereen kende al snel de naam van Plouf, en al vlot werd er niet enkel naar mijn welzijn geïnformeerd, maar ook naar die van haar. Plouf verveelde zich wel. Ze ging ineens van tien kilometer lopen per dag naar enkele honderden meters. Ze paste zich aan, aan dit ritme, en aan mij.

Toen ik naar een MRI-onderzoek moest, kon Plouf vanzelfsprekend niet mee. Ze mocht gewoon op de kamer blijven, terwijl de medewerkers van de afdeling een oogje in het zeil hielden. Plouf vond het niet leuk, maar ze aanvaardde het. Er werd al snel een briefje op de deur geplakt met de tekst ‘In verband met hond NIET KLOPPEN’. Kloppen voordat je ergens binnenkomt is een mooie vorm van beleefdheid, maar Plouf gaat dan blaffen om mij te waarschuwen.

De verveling van Plouf werd met regelmaat onderbroken door allerlei bezoekers: artsen, verpleegkundigen, voedingsassistentes, huishoudelijke dienst, bezoekers, patiënten en zelfs bezoekers van andere patiënten. De eerste hond op de afdeling trok veel bekijks, helemaal toen haar hulphondvriendje Rumba ook nog eens even op bezoek kwam en er twee witte golden retrievers naast mijn bed zaten.

Plouf had heel goed door dat ik niet fit genoeg was om met haar te spelen of veel te lopen, en genoot gewoon van het samenzijn met mij. Af en toe deden we een dutje, dicht tegen elkaar. We kregen ook bloemen en cadeautjes. Ik zeg bewust ‘we’ want er werd ook een nieuwe knuffel voor Plouf bezorgd. Ze mocht hem zelf ophalen bij de receptie van het ziekenhuis en ter plaatse uitpakken. Met de nieuwe teddybeer in de bek liep ze vervolgens (samen met mij natuurlijk) door de gangen, terwijl heel veel harten onderweg smolten.


PTSS-hulphond
Op de dag van de operatie mocht Plouf weer niet mee. Zelfs hulphonden mogen niet alles. In dit geval is dat bijzonder terecht. Wederom bleef ze die ochtend op de kamer terwijl de medewerkers van de afdeling haar af en toe opzochten. Terwijl ik op de tafel lag en werd voorbereid voor de ingreep, sloeg de PTSS toe. Ik moest vastgebonden worden om te voorkomen dat ik van de tafel zou vallen. Ik raakte in paniek. Degenen die mijn boek ‘Hulphond met een missie’ hebben gelezen zullen dat meteen begrijpen. Er werd heel goed mee omgegaan. Ze stelden voor om mij eerst onder narcose te brengen, en dan pas te fixeren. Dat vond ik goed, terwijl ik mijn hart steeds harder voelde bonken. Ik wild maar één ding: zo snel mogelijk herenigd worden met Plouf, die in al dit soort situaties mijn enige houvast is.

Van de ingreep heb ik uiteraard (en gelukkig) niets gemerkt. Ik heb vast heel naar gedroomd. Ik mocht wat eerder van de uitslaapkamer weg om weer bij Plouf te komen. Iedereen had begrip voor de PTSS die erg intens werd. Ik werd half wakker in de gang, had niet in de gaten waar ik was, en ik dacht dat ik zwaar gehavend op een brancard een oorlogsgebied uit gedragen werd. Ik schrok, beleefde allerlei flashbacks, totdat ik voelde hoe Plouf aan me snuffelde en ze bij me op bed mocht komen. Het was de enige manier om snel weer in het hier en nu en tot rust te komen.

In de middag voelde ik mij alweer een stuk beter. De pijn was weg na een geslaagde ingreep en ik werd steeds opgewekter. Plouf merkte het meteen. Voor het eerst in al die dagen werd ze actief, baldadig zelfs, en begon ze me uit te dagen. Ze wilde wandelen en spelen. Ik zat nog vast aan het infuus dus zo eenvoudig ging dat niet. De medewerkers van de afdeling waren behulpzaam als altijd en we konden even naar buiten, het voorjaarszonnetje in, zodat ze lekker kon rollen op het gras.

Honderd uur
Na honderd uur mochten we naar huis. De mensen van de afdeling waren zo lief en aardig geweest dat het wat jammer was om afscheid te nemen. Ze zullen Plouf niet snel vergeten. Er ligt een exemplaar van het boek over Plouf in de teamkamer en morgen wordt er een grote taart met daarop de foto van Plouf afgeleverd.
Wat betreft acceptatie van hulphonden heeft het CWZ laten zien hoe het moet, maar ook meer dan dat: hoe het kán. Ik ben er oprecht heel dankbaar voor. PTSS is al lastig als je fit bent. Wanneer je dat niet bent, wordt het omgaan met die PTSS enkel maar zwaarder. Plouf heeft dankzij de mensen van het CWZ de kans gekregen om voor een juiste balans te zorgen.

En Plouf? Nog geen twee dagen later dook ze alweer in haar geliefde water. Alsof we nooit opgenomen zijn geweest.










































































































